Een tijd van handelaren en soldaten
De Indische archipel is de bakermat van de specerijenhandel. In de zestiende eeuw is de handel in de peperdure specerijen, zoals nootmuskaat, kruidnagelen en peper geheel in handen van de Portugezen. Als Portugal tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) onbereikbaar is geworden voor Hollandse handelsschepen, gaan de Hollanders zelf op zoek naar de specerij-eilanden: de Molukken, Java en Sumatra. Zo komt in 1596 het eerste contact tussen de Hollanders en Javanen tot stand in Bantam (West-Java), het centrum van de peperhandel.



Van links naar rechts: kruidnagel, nootmuskaat en zwarte peper
Geboorte van de VOC
Nu de weg bekend is geworden, willen tal van handelscompagnieën hun fortuin in de Oost zoeken. In 1602 bundelen zij hun krachten in de Vereenigde Oost-Indische Compagnie: de VOC. Twee eeuwen lang ondernemen handelaren, zeelui en soldaten in dienst van de VOC de lange en gevaarlijke reis naar Batavia, het centrum van handel en bestuur in de Oost. Vanuit deze stad heersen de Hollanders over de belangrijke handelssteden. Het monopoliseren van de handel sluit buitenlandse concurrentie uit, met als gevolg dat de Hollanders tweehonderd jaar lang de wereldhandel kunnen domineren. Intern wanbeleid en schulden door verliezen tijdens de vierde Engelse Zeeoorlog (1780-1784) leiden uiteindelijk tot de opheffing van de VOC in 1799.
De organisatie van de VOC
De Vereenigde Oost-Indische Compagnie is een zestiende-eeuwse multinational, met internationale werknemers, een uitgestrekt handelsnetwerk en rijke aandeelhouders. Bij haar oprichting in 1602 heeft de VOC van de Staten-Generaal het handelsoctrooi gekregen voor de vaart en handel tussen Kaap de Goede Hoop en de Straat van Maegelhaen. De VOC heeft zes afdelingen, Kamers genoemd: in Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen, Delft, Rotterdam en Middelburg. Elke Kamer heeft ter plaatse een of meer bewindvoerders, leden van de plaatselijke elite. Amsterdam heeft acht bewindvoerders, Middelburg vier, en de vier kleinere kamers (Hoorn, Enkhuizen, Delft en Rotterdam) elk één.
Deze zestien mannen vormen samen met een zeventiende, gekozen lid het dagelijks bestuur, de Heren Zeventien. Zij beslissen over het beleid ten aanzien van handel en bestuur. Van de overheid krijgt de VOC soevereine rechten: het mag forten bouwen, buitenlandse contracten sluiten en soldaten inhuren. In de Oost is hun hoofdvertegenwoordiger de gouverneur-generaal te Batavia.

Een oude compagniesabel, die is gevonden in de streek rond het Oost-Javaanse Pasuruan; geschonken door W.L. Homans, student aan de Indische Instelling te Delft in 1891. Op de kling staat VOC. Het handvat is versierd met een gestileerde mensfiguur.
Winstgevende luxegoederen
Naast de handel in specerijen, peper, kruidnagelen, nootmuskaat, foelie en kaneel maakten handelsproducten als suiker, thee, koffie, koper en zilver deel uit van de lading uit de Oost. Al gauw bleken luxegoederen zoals Indiaas textiel en Chinees porselein zeer winstgevend. Indiaas textiel, voornamelijk de sitsen (katoenen stoffen die beschilderd, gedrukt en volgens ingewikkelde beitstechnieken gekleurd waren) vinden gretig aftrek in Nederland. Vanaf de achttiende eeuw worden sitsen ook toegepast bij diverse Nederlandse streekdrachten zoals in West-Friesland, Friesland, en vooral in Hindelopen, Marken, Spakenburg en Staphorst. De Delftse kunstschilder, stoffenontwerper en textielhandelaar Gerrit Clinck (1646-1693) werd door de VOC Amsterdam uitgestuurd om sitsen in te kopen en in overleg met de textieldrukkers in India nieuwe motieven te ontwerpen.
Het transport van handelsgoederen
Handelaars van Java, Sumatra en de Molukken ruilen hun specerijen, sandelhout en kamfer aanvankelijk tegen goud of zilver, de enige Hollandse handelswaar waarvoor ze belangstelling hebben. De Hollandse kooplui vermijden het vervoer van deze zware en kostbare ballast echter zo veel mogelijk. De Hollanders vestigen zich in handelssteden van Zuidoost-Azië, India, Sri Lanka en China. Zo krijgen ze greep op de Aziatische handel. Met het Indiase textiel en Chinese porselein hebben ze handelswaar in handen waarmee ze de specerijen betalen en het vervoer van Hollands zilver beperken. De VOC verdrijft vervolgens alle buitenlandse concurrentie en sluit slinkse contracten met de plaatselijke vorsten.
In de kuststeden bouwen de Hollanders forten en verwerven ze handelsmonopolies op de belangrijkste producten. Dit verzwakt de positie van de lokale vorsten en handelssteden. Alle retourschepen naar Nederland zijn beladen met kostbare vracht. Een goede bewapening van de schepen is daarom van het grootste belang. Elk lid van de bemanning mag een afgemeten hoeveelheid bagage in een scheepskist meenemen.
De opiumhandel
Opium vormt de grootste bron van inkomsten van de VOC en de koloniale overheid. Opium is het bewerkte sap van onrijpe zaaddozen van de papaver en dient als ontspanningsdrug en medicijn. In de zeventiende eeuw maakt de VOC kennis met deze handel in Oost-India. Door de bemoeienissen van de VOC groeit dit gebied uit tot de grootste leverancier aan Zuidoost-Azië en China. Gebruikers in die tijd slikken opium. De Nederlanders leren de bevolking opium te roken, zodat het gebruik van en de verslaving aan de drug enorm toenemen. Met de inkomsten uit de opiumhandel betalen de Nederlanders de handelswaar op Java en Sumatra.
De VOC verwerft langzamerhand het monopolie op de handel van opium in heel Zuidoost-Azië. In de negentiende eeuw laat de koloniale overheid zelfs papavers op Java verbouwen. Een Opiumwet uit 1893 bepaalt dat de Nederlandse staat de bereiding, verpakking en verkoop in eigen beheer mag verzorgen. De staat bemoeit zich openlijk met de teelt en leverantie van een hard drug! Dit blijft zo tot aan het einde van de koloniale tijd. Het is een weinig bekende en donkere bladzijde in de koloniale geschiedenis.
Batavia 1619-1800
De Vereenigde Oost-Indische Compagnie kiest als op- en overslagplaats de strategisch gelegen havenstad Jakarta op West-Java. Gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) bouwt hier in 1619 versterkte pakhuizen. De vesting wordt al snel door de concurrerende lokale machthebber belegerd. Coen verwoest hierop het paleis van de lokale vorst en sticht op de resten een nieuwe vesting: Batavia.
Jan Pieterszoon Coen
De stadsplattegrond van Batavia lijkt veel op een gemiddelde Hollandse vestingstad. Binnen de ommuring liggen de militaire vesting (het kasteel) en de woningen van handelaren, zeelui en soldaten. Een naar Hollands voorbeeld opgezet grachtenstelsel doorsnijdt de stad.

Stadsplattegrond van Batavia. Ingekleurde gravure. De stad rond 1750 met linksboven het kasteel. De plattegrond van de stad lijkt op die van een Hollandse vestingstad. De leeuw in de rechter benedenhoek houdt het wapen van Batavia vast.
Het leven tussen en met de lokale bevolking resulteert in verbintenissen tussen Hollandse mannen en vrouwen van lokale afkomst. De levensstijl van deze Indo-Europese families wordt gekenmerkt door een mengsel van Oost en West op het gebied van kleding, meubilair en eetgewoonten. De Indo-Europese families behoren tot de sociale bovenlaag en wonen daarom binnen de ommuring. De wijken van handelaren en ambachtslieden uit de archipel, China, India en de Arabische landen - de kampongs - liggen buiten de ommuring. Daar worden ook rijstvelden, suikerrietplantages en tuinen aangelegd om de bevolking van voedsel te voorzien.

Batavia groeit uit tot het belangrijkste VOC-centrum van bestuur en handel. Alle beslissingen over de archipel, tot in de verste uithoeken, worden genomen door de ambtenaren in Batavia. Dit centrale karakter van de stad blijft behouden gedurende de koloniale periode. Na het uitroepen van de onafhankelijkheid van Indonesië (1945) wordt dit de hoofdstad van de nieuwe Republiek Indonesië en krijgt het de oude naam, Jakarta, terug.

De markt en het kasteel van Batavia. Contadyn Cunaeus (1828-1895). Olieverf op doek, 1864. Kopie naar een schilderij uit 1656 van Andries Beekman. Afgebeeld is de markt van Batavia. In de verte is het kasteel zichtbaar. Op de voorgrond zijn verschillende bevolkingsgroepen weergegeven: Europeanen in 17de-eeuwse dracht, een Indo-Europese dame onder een parasol, Chinezen en Javanen. De man met hoed, witte rok en gekleurd jasje is een Mardijker, een vrijgemaakte christelijke slaaf van Portugees-Indiase afkomst.
Delft en de VOC
In 1601 richt Delft een handelscompagnie voor de Oost op. Een jaar later wordt de Delftse compagnie een onderdeel van het centrale VOC-bestuur in Amsterdam. Bewindvoerders van de VOC-Kamer Delft worden voorgedragen door de stadhouder. Voorwaarde is dat men een minimumbedrag aan VOC-aandelen bezit. Delftse regentenfamilies als Welhouck, Meerman, Van Bleyswijk en Van der Dussen nemen zitting in het bestuur.
Het eerste Delftse VOC-schip, de Eendracht, arriveert in 1603 in Bantam op West-Java. In de zeventiende eeuw volgen nog 81 Delftse schepen. Jaarlijks vertrekken ongeveer tweehonderd Delftenaren naar de Oost. Pas in 1631 beschikt de Delftse VOC-Kamer over een eigen gebouw dat gevestigd is aan de Oude Delft. Hier komen de bewindvoerders samen om te vergaderen. Een naburig pakhuis (het huidige Legermuseum) wordt als opslagruimte gebruikt.
Aangezien de stad niet over een eigen haven beschikt, functioneert de plaats Delfshaven bij Rotterdam vanaf 1389 als havenstad voor Delft. De VOC bevordert de werkgelegenheid in Delft. De scheepsbouw stimuleert de touwslagerijen, zeil- en glasmakerijen en de teerhandel, en de bevoorrading van de schepen bevordert de verkoop van meel, kaas, vlees, groenten, bier en wijn. De VOC levert op deze manier een belangrijke bijdrage aan de economische bloei van het zeventiende-eeuwse Delft.
Een gouden greep
Voor Delft is de handel in Chinees en Japans porselein meer dan in de andere steden, van groot belang geweest. Als na 1647 door een burgeroorlog de import vanuit China tot stilstand komt, inspireert dit de Delftse plateelbakkers om zelf ‘Chinees porselein’ te gaan maken. Na enig geëxperimenteer lukt het om geslaagde imitaties te maken. Ook met ontwerpen vrij naar oosters voorbeeld, dan weer naar eigen ontwerp, weten de plateelbakkers een geheel eigen Delfts aardewerk-lijn te ontwikkelen.
Daarbij komt ook dat de nieuwe aangevoerde producten speciaal serviesgoed vergen, zoals specerijenschalen, kruidnageldozen en rijsttafelschalen, peper- en zoutvaten, theebussen en theepotjes. Afname van het nieuwe product lijkt gegarandeerd. In het midden van de achttiende eeuw komt de import vanuit China weer op gang, wat tot gevolg heeft dat de bloeitijd van de Delftse plateelbakkers voorbij is. Maar tot op heden is Delfts aardewerk en vooral Delfts Blauw wereldwijd een begrip.
Meer informatie over Delft en de VOC is te vinden op de speciale themapagina over dit onderwerp op WikiDelft.
Terug naar de vorige periode (300-1600 Indo-Javaanse periode)
Verder naar de volgende periode (1814-1942 Koloniale periode)









